1500-1870
Periode 1500 - 1870
Na 1500 neemt de welvaart gestaag toe. De veestapel groeit, er komen andere en grotere boerderijen (kophalsromp en stelp). De centrale overheid versterkt zijn macht en het krijgsrumoer verstomt, de stedelijke bevolking neemt toe en daardoor de vraag naar landbouwproducten. De alsmaar groeiende stadsbevolking organiseert dag- en jaarmarkten waar de boer zijn producten kan slijten. Een gemiddeld boerenbedrijf bestaat uit 15 ha land waarop de boer tussen de tien en vijftien koeien houdt. Producten die hij levert zijn boter, kaas, huiden, hooi, vette koeien, paarden, gerst, rogge en zaden. In de boerenschuur gebruikt hij de karnmolen en de dorsrol. In het landschap verschijnt de windwatermolen. Door ontginningen en inpoldering komt er steeds meer land beschikbaar. Een bron van zorg blijft de dreiging van de zee. Reeksen van overstromingen zorgen voor stagnatie, maar nooit voor lang. In de achttiende eeuw slaat de veepest toe. In drie perioden wordt de veestapel in Friesland geminimaliseerd.
De negentiende eeuw is voor de Friese boer een periode van grote en toenemende welvaart.



Afbeeldingen zijn afkomstig van een 18e eeuwse gildebaar die te zien is in de Sint-Gertrudiskerk te Workum.
Deze unieke geschilderde taferelen geven een goed beeld van de Friese boer in de 18e eeuw.










